Centralize deploy_path, environment and artifact name/path as workflow variables
Co-authored-by: Junie <junie@jetbrains.com>
This commit is contained in:
@@ -9,13 +9,14 @@ Sinds deze stap wordt er automatisch gedeployed naar een **testomgeving**: een R
|
||||
|
||||
## Pipeline Files
|
||||
- `continuous_integration.yaml` — getriggerd door `pull_request` (build/test/lint-gate), `push` naar `master`, en handmatig via `workflow_dispatch`.
|
||||
- Heeft bovenaan een `env:`-blok (`NODE_VERSION`, `PNPM_VERSION`) — pas de Node/pnpm-versie hier op één plek aan, gebruikt wordt dit door alle `setup-node`/`pnpm/action-setup`-stappen.
|
||||
- `prepare` → `build` (uploadt `dist` artifact) → `test` (lint + unit tests)
|
||||
- `deploy-test` (alleen bij `workflow_dispatch` of een push naar `master`) roept `deploy.yaml` aan met `environment: test` en `deploy_path: /html/test/slpsoftware`
|
||||
- `deploy.yaml` — download de `dist`-artifact en upload de inhoud via `appleboy/scp-action` naar de opgegeven `deploy_path` op de host uit de meegegeven secrets. `deploy_path`/`environment`/`artifact_name` zijn al herbruikbare inputs bovenaan dit bestand (`workflow_call.inputs`).
|
||||
- Heeft bovenaan een `env:`-blok met alle aanpasbare waarden op één plek: `NODE_VERSION`, `PNPM_VERSION`, `ARTIFACT_NAME` (`dist`), `ARTIFACT_PATH` (`dist/`), `DEPLOY_ENVIRONMENT` (`test`) en `DEPLOY_PATH` (`/html/test/slpsoftware`).
|
||||
- `prepare` → `build` (uploadt de artifact, naam/pad uit `env.ARTIFACT_NAME`/`env.ARTIFACT_PATH`) → `test` (lint + unit tests)
|
||||
- Een losse `config`-job zet deze `env`-waarden om in job-outputs (zie hieronder waarom dat nodig is).
|
||||
- `deploy-test` (alleen bij `workflow_dispatch` of een push naar `master`) roept `deploy.yaml` aan met `artifact_name`/`environment`/`deploy_path` afkomstig van `needs.config.outputs.*` (dus indirect uit het `env:`-blok).
|
||||
- `deploy.yaml` — download de artifact (naam/lokaal pad = `inputs.artifact_name`) en upload de inhoud via `appleboy/scp-action` naar de opgegeven `deploy_path` op de host uit de meegegeven secrets.
|
||||
|
||||
### Waarom staan `deploy_path`/`environment` niet ook in het `env:`-blok?
|
||||
Gitea/GitHub Actions ondersteunt geen `env`-context in de `with:`-sectie waarmee een reusable workflow wordt aangeroepen (`jobs.<job_id>.with`) — dat werkt alléén binnen `jobs.<job_id>.steps`. Daarom moeten `artifact_name`, `environment` en `deploy_path` in de `deploy-test`-job in `continuous_integration.yaml` letterlijk blijven staan; dit is een beperking van Actions zelf, niet iets dat hier is opgelost. Wil je dit pad wijzigen, pas dan die regels rechtstreeks aan (zie ook de eerdere uitleg hierover).
|
||||
### Waarom een aparte `config`-job in plaats van rechtstreeks het `env:`-blok?
|
||||
Gitea/GitHub Actions ondersteunt geen `env`-context in de `with:`-sectie waarmee een reusable workflow wordt aangeroepen (`jobs.<job_id>.with`) — dat werkt alléén binnen `jobs.<job_id>.steps`. De oplossing is een klein voorloop-job (`config`) dat de gewenste `env`-waarden via `$GITHUB_OUTPUT` naar job-outputs schrijft; die outputs (`needs.config.outputs.*`) zijn wél bruikbaar in `jobs.<job_id>.with`. Zo hoef je, om de artifact-naam/pad of de testdeploy-bestemming te wijzigen, alléén het `env:`-blok bovenaan `continuous_integration.yaml` aan te passen — niet de `deploy-test`-job zelf.
|
||||
|
||||
## Eenmalige Setup — Gitea Secrets
|
||||
Voeg deze secrets toe in Gitea: **Repository → Settings → Actions → Secrets**:
|
||||
|
||||
@@ -10,8 +10,8 @@ Sinds deze stap is er een echte, geautomatiseerde upload naar een **testomgeving
|
||||
## How It Works
|
||||
1. Bij elke pull request draait automatisch de build/test/lint-gate (`prepare` → `build` → `test`), zodat merge requests direct gevalideerd worden.
|
||||
2. Zodra een pull request naar `master` gemerged wordt (of de workflow handmatig via `workflow_dispatch` gestart wordt), draait aanvullend de `deploy-test` job.
|
||||
3. `deploy-test` roept de herbruikbare `deploy.yaml` workflow aan met `environment: test` en `deploy_path: /html/test/slpsoftware`, en geeft via `secrets: inherit` de Pi-inloggegevens door.
|
||||
4. `deploy.yaml` downloadt de `dist`-artifact en uploadt de inhoud via SCP (wachtwoord-login) naar de webserver-Pi op het interne netwerk (`192.168.1.103`, poort `2224`).
|
||||
3. `deploy-test` roept de herbruikbare `deploy.yaml` workflow aan met `artifact_name`/`environment`/`deploy_path`, en geeft via `secrets: inherit` de Pi-inloggegevens door. Deze drie waarden (samen met de artifact-naam/pad die de `build`-job gebruikt) staan als variabelen in het `env:`-blok bovenaan `continuous_integration.yaml` (`ARTIFACT_NAME`, `ARTIFACT_PATH`, `DEPLOY_ENVIRONMENT`, `DEPLOY_PATH`), en worden via een kleine `config`-job als job-outputs doorgegeven aan `deploy-test` (nodig omdat de `env`-context zelf niet werkt in de `with:`-sectie van een reusable-workflow-aanroep).
|
||||
4. `deploy.yaml` downloadt de artifact en uploadt de inhoud via SCP (wachtwoord-login) naar de webserver-Pi op het interne netwerk (`192.168.1.103`, poort `2224`).
|
||||
5. nginx op de webserver-Pi serveert de bestanden vanaf `/html/test/slpsoftware`; de reverse-proxy-Pi stuurt binnenkomend verkeer door naar deze webserver-Pi. Voorbeeldconfiguraties staan in `operations/deployment/nginx/`.
|
||||
6. De reverse-proxy-Pi is ook verantwoordelijk voor SSL: certificaten worden net als voorheen aangevraagd via certbot (Let's Encrypt) en HTTP-verkeer wordt doorverwezen naar HTTPS.
|
||||
|
||||
|
||||
Reference in New Issue
Block a user