Maak DEPLOY_PATH configureerbaar via Gitea Actions variable i.p.v. hardcoded
Continuous Integration / config (pull_request) Successful in 10s
Continuous Integration / prepare (pull_request) Successful in 1m18s
Continuous Integration / build (pull_request) Successful in 1m55s
Continuous Integration / test (pull_request) Successful in 1m50s
Continuous Integration / deploy-test (pull_request) Skipped

Vervangt het hardcoded testpad in continuous_integration.yaml door de
Gitea repository variable DEPLOY_PATH_TEST, zodat het uploadpad aan te
passen is zonder de workflow zelf te wijzigen. Documentatie bijgewerkt
met de vereiste eenmalige Gitea-variable-setup.

Co-Authored-By: Claude Sonnet 5 <noreply@anthropic.com>
This commit is contained in:
2026-07-27 11:59:16 +02:00
co-authored by Claude Sonnet 5
parent 18a3085945
commit 78f68d52f7
3 changed files with 18 additions and 5 deletions
@@ -10,7 +10,7 @@ Sinds deze stap is er een echte, geautomatiseerde upload naar een **testomgeving
## How It Works
1. Bij elke pull request draait automatisch de build/test/lint-gate (`prepare``build``test`), zodat merge requests direct gevalideerd worden.
2. Zodra een pull request naar `master` gemerged wordt (of de workflow handmatig via `workflow_dispatch` gestart wordt), draait aanvullend de `deploy-test` job.
3. `deploy-test` roept de herbruikbare `deploy.yaml` workflow aan met `artifact_name`/`environment`/`deploy_path`, en geeft via `secrets: inherit` de Pi-inloggegevens door. Deze drie waarden (samen met de artifact-naam/pad die de `build`-job gebruikt) staan als variabelen in het `env:`-blok bovenaan `continuous_integration.yaml` (`ARTIFACT_NAME`, `ARTIFACT_PATH`, `DEPLOY_ENVIRONMENT`, `DEPLOY_PATH`), en worden via een kleine `config`-job als job-outputs doorgegeven aan `deploy-test` (nodig omdat de `env`-context zelf niet werkt in de `with:`-sectie van een reusable-workflow-aanroep).
3. `deploy-test` roept de herbruikbare `deploy.yaml` workflow aan met `artifact_name`/`environment`/`deploy_path`, en geeft via `secrets: inherit` de Pi-inloggegevens door. Deze drie waarden (samen met de artifact-naam/pad die de `build`-job gebruikt) staan als variabelen in het `env:`-blok bovenaan `continuous_integration.yaml` (`ARTIFACT_NAME`, `ARTIFACT_PATH`, `DEPLOY_ENVIRONMENT`, `DEPLOY_PATH`), en worden via een kleine `config`-job als job-outputs doorgegeven aan `deploy-test` (nodig omdat de `env`-context zelf niet werkt in de `with:`-sectie van een reusable-workflow-aanroep). `DEPLOY_PATH` zelf is geen hardcoded waarde meer, maar wordt gelezen uit de Gitea repository variable `DEPLOY_PATH_TEST` (`Repository → Settings → Actions → Variables`), zodat het uploadpad aangepast kan worden zonder de workflow te wijzigen — zie `deployment-instructions.md`.
4. `deploy.yaml` downloadt de artifact en uploadt de inhoud via een `scp`-commando (met `sshpass` voor het wachtwoord) in een gewone shell-stap naar de webserver-Pi op het interne netwerk (`192.168.1.103`, poort `2224`). Dit vervangt de eerdere `appleboy/scp-action` (Docker-container-action), die faalde op de zelf-gehoste Podman-runner (`failed to attach to container: unable to upgrade to tcp, received 409`).
5. nginx op de webserver-Pi serveert de bestanden vanaf `/mnt/storage1/www/html/test/slpsoftware`; de reverse-proxy-Pi stuurt binnenkomend verkeer door naar deze webserver-Pi. Voorbeeldconfiguraties staan in `operations/deployment/nginx/` en zijn de daadwerkelijk in gebruik zijnde configuraties (niet langer illustratieve concepten).
6. De reverse-proxy-Pi is ook verantwoordelijk voor SSL: certificaten worden net als voorheen aangevraagd via certbot (Let's Encrypt) en HTTP-verkeer wordt doorverwezen naar HTTPS.
@@ -37,7 +37,7 @@ Deze secrets heten bewust `PI_MAIN_*` in plaats van `PI_TEST_*`: alle webhosts g
Dit is bewust wachtwoord-authenticatie (voor nu, zoals gekozen), zodat de testomgeving snel werkend is. Zie "Future Work" in `deployment-instructions.md` voor de overstap naar SSH-key-authenticatie.
## Open Item — Productie-deploy Nog Niet Geautomatiseerd
Zodra de definitieve productiehosting bekend is (en of dit dezelfde soort Raspberry Pi-opstelling is, of een externe hostingpartij), voeg een `deploy-production`-job toe aan `continuous_integration.yaml` die `deploy.yaml` aanroept met `environment: production`. Zolang het dezelfde webhost (Pi Main) blijft, kunnen de bestaande `PI_MAIN_*` secrets hergebruikt worden; pas dit pas aan naar omgeving-specifieke secrets als productie daadwerkelijk op een andere host komt. Domeinnaam (`slpsoftware.nl`) en SSL-aanpak (certbot/Let's Encrypt op de reverse-proxy-Pi) liggen al vast; er is bewust (nog) geen productie-nginx-voorbeeldconfiguratie, deze wordt later opnieuw opgebouwd zodra er een goed-werkende, foutloze versie is.
Zodra de definitieve productiehosting bekend is (en of dit dezelfde soort Raspberry Pi-opstelling is, of een externe hostingpartij), voeg een `deploy-production`-job toe aan `continuous_integration.yaml` die `deploy.yaml` aanroept met `environment: production`. Zolang het dezelfde webhost (Pi Main) blijft, kunnen de bestaande `PI_MAIN_*` secrets hergebruikt worden; pas dit pas aan naar omgeving-specifieke secrets als productie daadwerkelijk op een andere host komt. Voor het uploadpad hoort een eigen Gitea variable (`DEPLOY_PATH_PRODUCTION`), analoog aan `DEPLOY_PATH_TEST` — zie `deployment-instructions.md`. Domeinnaam (`slpsoftware.nl`) en SSL-aanpak (certbot/Let's Encrypt op de reverse-proxy-Pi) liggen al vast; er is bewust (nog) geen productie-nginx-voorbeeldconfiguratie, deze wordt later opnieuw opgebouwd zodra er een goed-werkende, foutloze versie is.
## Verified Build Prerequisite
Dit plan bouwt voort op de Build and Test-stage (`construction/build-and-test/build-and-test-summary.md`): `pnpm run build` produceert een statische `dist/`-bundel zonder server-side vereisten, geschikt om direct door nginx geserveerd te worden.